• Oehoe

    DE OEHOE - BUBO BUBO

    De Oehoe is de grootste uilensoort ter wereld. Zijn naam heeft hij te danken aan zijn roepgeluid. Vooral in de late winter laat het mannetje zijn imposante "Whoeoh"-roep horen. Oehoes hebben lange oorpluimen en grote, felgele tot oranje ogen met forse, zwarte pupillen. Verder is het bruin en donkergevlekt verenkleed typerend, evenals de afwezigheid van een nek. De kop van een Oehoe is erg breed en bevindt zich recht boven het lichaam. Wanneer de Oehoe zijn vleugels uitslaat vormt hij door zijn imposante voorkomen een bedreiging voor de meeste van zijn voedselconcurrenten. Er zijn veel verschillen in lichaamsgrootte tussen de beide seksen. Het mannetje wordt gemiddeld zo'n 60-64 cm hoog en heeft een spanwijdte van 155-159 cm. Vrouwtjes zijn forser en breder in de schouders met een hoogte van zo'n 65-70 cm en een spanwijdte van 165-190 cm. De klauwen zijn gemiddeld zo'n 3-4 cm lang en zijn in staat zeer uiteenlopende prooien te grijpen.

    Verspreiding

    De Oehoe broedt vanaf 1997 jaarlijks in ons land. Hij is een uiterst schaarse broedvogel. Aanvankelijk nestelde hij alleen in Zuid-Limburg, maar vanaf 2002 kwamen ook Overijssel, Gelderland en Noord-Brabant aan de beurt. De vestiging in Nederland was onderdeel van een uitbreidingsgolf in Duitsland, volgend op uitzetacties in de Eifel en herstel van populaties elders. Het beeld wordt licht vertroebeld doordat af en toe uit gevangenschap ontsnapte vogels opduiken. Oehoes broeden vaak op richels in afgravingen, maar ook op de grond of op oude roofvogelnesten in bossen.
    Volwassen vogels blijven bij de broedplaats maar maken kilometers lange jachtvluchten. Daarbij schuwen ze bebouwd gebied allerminst, bijvoorbeeld om op verwilderde duiven te jagen. Jonge Oehoes zwerven soms honderden kilometers rond voordat ze zich ergens vestigen. Relatief veel vogels worden slachtoffer van het verkeer. Broedpopulatie: 14 paar (2016). De Oehoe is het hele jaar aanwezig.

    Voedsel

    Opvallend is zijn voedselvoorkeur voor tragere vogels in Nederland. Veldmensen en mensen die nabij Oehoenesten wonen, spreken van een dier 'dat alles wegvangt dat in de nabije omgeving te halen valt'. In Nederland gaat het daarbij om zwarte kraaien, eksters, roeken, kauwen, gaaien, houtduiven, alle (tragere) roofvogels, alle uilensoorten, muizen en ratten, hazen en konijnen, egels, jonge fazanten, marterachtigen en jonge vossen. Grootste en enige vijand van de Oehoe is de mens.
    De Oehoes jagen meestal in de schemering, maar als ze jongen hebben ook wel overdag. De Oehoe is als opportunistische jager net zo verrassend voor zijn onderzoekers als voor zijn prooien. De oehoe overvalt kraaiachtigen, roofvogels en uilen op hun slaapplaatsen, na hen eerst enige tijd gade te hebben geslagen, vanaf een gedekte uitkijkplaats. De Oehoe kan urenlang muisstil op een uitkijkplaats blijven zitten 'roesten' tot er een grote prooi langs komt kruipen. In een duikvlucht vat de uil de prooi dan meestal in het nekvel om het op de plukplaats te ontdoen van veren en huid.

    Voortplanting

    Na een jaar zijn de vogels geslachtsrijp. Het is echter pas in het derde levensjaar dat de Oehoe-jongen zich voldoende vaardigheden eigen hebben gemaakt om zich voort te planten. Oehoes zijn niet monogaam. Vermoedelijk onderhoudt het mannetje meerdere vrouwtjes in een territorium gedurende de voortplantingsperiode. De balts vindt eind januari begin februari plaats. Mannetjes zingen dan intensief en voeren eveneens demonstratievluchten uit, die als doel hebben de vrouwtjes te imponeren. De mannetjes wijzen de uiteindelijke broedlocatie aan, die vaak op rotsachtige richels gelegen is. Vroege legsels kunnen al in februari gelegd zijn, maar de meeste paren beginnen in maart met broeden. In het voorjaar worden twee tot vier eieren gelegd. Het vrouwtje broedt alleen en bekleedt de nestkom slechts spaarzaam met dons. Het mannetje speelt met name de eerste weken een belangrijke rol. Hij voorziet het vrouwtje van voedsel. Meestal vindt de voedseloverdracht in de broedtijd plaats buiten het nest. Na ongeveer 34 dagen komen de grijs-witte jongen uit. Al direct na de geboorte zijn de jongen in staat om zich buiten de nestkom te ontlasten. Na 28 a 30 dagen verlaten de jongen het nest. Ze kunnen dan lopen, springen en klimmen met behulp van vleugelslagen. Na een week of tien zijn ze geelbruin en kunnen ze vliegen. In de herfst verlaten ze het ouderlijke nest.

    Bedreiging

    Indirecte bedreigingen door toedoen van de mens zijn bv: buitensporters (bergbeklimmers op steile rotswanden, mountainbikers en crossmotoren door zandgroeves). Maar ook verongelukken er veel Oehoes door bijv. elektriciteitsleidingen, kabelbanen, prikkeldraad en door auto- en treinverkeer. Ook gif ter bestrijding van muizen en ratten vormt een bedreiging. In Limburg is er al een aantal Oehoes dood gevonden met een veel te hoog PCB gehalte in het lichaam.

    Bronvermelding: Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland