• Kerkuil

    In Nederland komen twee soorten Kerkuilen voor:

    a) KERKUIL - TYTO ALBA GUTTATA

    De hartvormige vrijwel witte gezichtssluier is rond de zwarte ogen roodbruin tot lichtbruin gekleurd. De vleugels zijn asgrijs met oranjebruin, overspikkeld met langwerpige, zwart-witte druppelvlekjes, die vanaf de bovenkop naar de vleugeldekveren steeds groter worden. Verder zijn de grijze partijen fijn dwarsgestreept. Over de slag-, armpennen en de staart lopen duidelijke brede dwarsbanden van oranjebruin en grijs. Borst- en buikzijde zijn oranjegeel tot donkerbruin, gespikkeld met donkerbruine, ruitvormige vlekjes. Bij het uitslaan van de vleugels is de spikkeling ook te zien op de lichtgekleurde ondervleugels. De poten zijn tot aan de tenen bedekt met witte haren. Toch is het een lichtgekleurde vogel die vooral in de vlucht een bijna witte indruk maakt. Het lichaam is smal en bedekt met veel lichte veren en het weegt slechts 300-400 gram, terwijl de brede vleugels een spanwijdte van bijna een meter hebben. Zo kan de Kerkuil gemakkelijk zweven en met een lage snelheid (15 tot 20 km per uur) de grond afzoeken naar prooidieren.

    b) KERKUIL - TYTO ALBA ALBA

    De onderzijde van deze soort is volledig wit met kleine stippels en vlekken. Ook de bovendelen zijn veel lichter (grijzer) van kleur. De lichte vorm (T.alba alba) is zeldzaam in ons land.

    Gedrag

    De Kerkuil is de meest nachtelijke vogel onder de uilen. Wanneer de "dagvogels" al lang hun slaapplaatsen hebben opgezocht, komt de Kerkuil pas tevoorschijn. In het gunstigste geval is zijn omgeving vaag verlicht door het schijnsel van de maan, maar meestal is het ’s nachts donker. Bij volslagen duisternis, wanneer ook een Kerkuil niets ziet, moet de uil toch aan voldoende voedsel zien te komen om in leven te kunnen blijven. In verband met zijn nachtelijke leefwijze is de Kerkuil sterk afhankelijk van zijn zintuigen. Opvallend bij uilen is de ronde kop met de grote ogen, die onbeweeglijk in de oogkassen zitten. De uil moet de kop draaien als hij in een andere richting wil kijken. De Kerkuil presteert het zelfs om de kop 270 graden (driekwart!!), zowel naar links als rechts, te draaien, terwijl het lichaam roerloos op zijn plaats blijft. Een deel van het gezichtsveld wordt door beide ogen gezien (binoculair zien). Hierdoor kan de uil de afstand tot de prooi schatten. Het binoculaire gezichtsveld bedraagt bij uilen 70 graden.
    De mooie hartvormige sluier van de Kerkuil werkt als een geluidsontvanger. De binnenkomende geluiden blijven binnen de sluier en worden geleid naar de beide gehoororganen.

    Verspreiding

    De Kerkuil is in Nederland een vrij schaarse broedvogel en is het hele jaar aanwezig. De broedpopulatie varieert met de veldmuizenstand. In veldmuizenrijke jaren zijn er tot meer dan 3000 broedparen. Hij komt in grote delen van Europa voor, met de grootste aantallen in het westen en zuidwesten. Hij ontbreekt in het noordelijke en noordoostelijke deel van Europa en hij is in Denemarken al schaars. In Zuid-Europa en Schotland broedt hij ook in holen van rotsen en vooral in Engeland ook in boomholten. In bergachtige gebieden is de Kerkuil zeldzaam en hij ontbreekt op die plaatsen waar 's winters gemiddeld meer dan 40 dagen sneeuw ligt met een minimum hoogte van zo'n 7 cm.

    Biotoop

    De Kerkuil is een bewoner van (half)open landschappen, bij ons veelal het boerenland. Hij vestigt zich graag in gebouwen zoals schuren of kerktorens. Daar zoekt hij rustige, donkere schuilhoekjes als roestplaats voor overdag en als nestplaats. Kerkuilen leiden een teruggetrokken leven en worden als het donker is actief om in het open veld te jagen op vooral veldmuizen. Kerkuilen zijn in het algemeen plaatstrouw en gevoelig voor winters met langdurige vorst en sneeuw. In bossen of zeer bosrijke gebieden kom je de Kerkuil zelden tegen. De Kerkuil gaat vanuit zijn roest- of nestplaats jagen in het open veld, het liefst daar waar gras- en bouwland worden afgewisseld met kruidenrijke akkerranden, houtwallen, heggen of bosjes. Ook ruig begroeide, slecht onderhouden graslandgebieden, braakliggende akkers, ruige grasstroken en wegbermen worden als jachtterrein benut.

    Voedsel

    Bestaat hoofdzakelijk uit veldmuizen, maar ook spitsmuizen en woelmuizen. Vogels, amfibieën en allerlei ongewervelde diertjes maken slechts ongeveer 2% van het voedsel uit. De kerkuil jaagt in langzame zoekvlucht met ondiepe vleugelslagen laag boven het land. Ook vanaf lage zitposten.

    Voortplanting

    De broedperiode begint eind maart en gaat soms door tot ver in het najaar. Zowel het aantal eieren per nest als het aantal broedsels hangt nauw samen met de veldmuizenstand. In veldmuizenrijke jaren kunnen legsels voorkomen tot 12 eieren. Daarna kan een tweede broedsel volgen, soms nog een derde. In tijden van voedselschaarste beginnen kerkuilen niet eens aan een nest. Gemiddeld bestaat een legsel uit 4-7 eieren. De kerkuil broedt in ons land veelal in speciale nestkasten en heel incidenteel in boomholten en ruïnes. Jongen komen niet gelijktijdig uit het ei. Kerkuilen kunnen in alle maanden van het jaar broeden. De voedselsituatie moet dan wel optimaal zijn. Zo zijn in goede muizenjaren in ons land jonge Kerkuilen geringd in december (derde broedsel!). De meeste broedparen (70%) leggen eieren in april en mei. De gemiddelde legdatum ligt rond de eerste week in april. Veel Kerkuilenparen blijven in de winter in hun voortplantingsgebied. De paarband is sterk en de paren zijn meestal trouw aan een eenmaal gekozen nestplaats. Maar weersomstandigheden en voedselschaarste kunnen er soms de oorzaak van zijn dat de uilen in de wintermaanden gaan zwerven. Sterft één van de volwassen vogels, dan wordt de lege plaats meestal snel ingenomen door een nieuwe partner. "Partnerruil" vindt op kleine schaal plaats.

    Bedreiging

    De Kerkuil is een muizenspecialist, zodat deze bij voedselschaarste en strenge, sneeuwrijke winters zeer kwetsbaar is. Een hoog energieverbruik, weinig vetreserves en een minder goede isolatie van het verenkleed dan bij andere uilensoorten maken hem gevoelig voor strenge winters. Kerkuilen kunnen slechts 5 tot 8 dagen zonder voedsel.
    Het verkeer vormt tegenwoordig de belangrijkste doodsoorzaak. Het grote aantal verkeersslachtoffers onder de Kerkuilen wordt mede veroorzaakt door de methode van jagen. De Kerkuil maakt vaak gebruik van kilometerpaaltjes langs de kant van de weg, die hij gebruikt als uitkijkpost of rustplaats. Tijdens het jagen steekt hij regelmatig de weg over op een hoogte van nog geen twee meter. Door het laagvliegen is het risico op een botsing met auto’s groot.
    Vele nestplaatsen zijn de laatste tientallen jaren verloren gegaan door het afsluiten van de invliegmogelijkheden. Doordat bij restauraties van kastelen, molens, kerken en andere oude gebouwen de invliegopeningen zijn dichtgemaakt, zijn de uilen verdreven. Merkwaardig is het dat vrij veel jonge Kerkuilen door verdrinking om het leven komen. Het zijn vooral de drinkbakken voor het vee waarin de uilen terecht komen. Dit probleem is gemakkelijk te voorkomen door in de drinkbak een stuk hout te leggen, zodat de uil er uit kan klauteren. Ook zijn hiervoor speciaal steenuilvriendelijke drinkbakken verkrijgbaar. Je kunt daarvoor informeren bij je plaatselijke uilenwerkgroep.
    De Kerkuil heeft in Nederland twee natuurlijke vijanden: n.l. de havik en de steenmarter. De steenmarter, die zich snel uitbreidt in ons land, overvalt nogal eens een broedende Kerkuil.

    Bronvermelding: Stichting Kerkuilenwerkgroep Nederland